Publiek net

6 pubers - speelplaats - staan - secundair onderwijs - samenhorigheid - horizontaal - JD.jpg
  • Moet er één publiek net komen? Het GO! wil constructief meedenken over die vraag.

  • De drie officiële onderwijsverstrekkers - het GO!, het gemeentelijk en stedelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV)  - hebben voorstellen uitgewerkt om intensiever samen te werken.

  • Onderwijsminister Hilde Crevits wil samenwerking stimuleren, maar kan dat niet verplichten.

GO! standpunt Meer info Tijdslijn Praktijkvoorbeelden

Het GO! wil graag samenwerken met de andere officiële onderwijsverstrekkers. Het GO! is ervan overtuigd dat de manier waarop haar pedagogisch project en organisatiestructuur de voorbije jaren is uitgebouwd, als inspiratiebron kan dienen voor kwaliteitsvol publiek onderwijs. Daarmee bedoelen we expliciet het verplicht aanbod van neutraal onderwijs dat de overheid moet garanderen. We gaan daarbij uit van een open, pluralistische visie en een maatschappelijk engagement. Door nog meer en beter samen te werken, kunnen we ervoor zorgen dat de middelen en mensen efficiënter worden ingezet. Waar het op aankomt, is dat de betrokken verstrekkers van officieel onderwijs op eigen initiatief en met respect voor elkaars eigenheid, het partnerschap binnen het officieel onderwijs verder vormgeven. Dat is niet alleen raadzaam, het is ook noodzakelijk om tot één publiek onderwijsnet te komen. Het GO! wil in deze oefening zijn kennis en expertise delen, we denken constructief. Tegelijk wil het GO! aantonen dat het complementair werkt met de andere publieke onderwijsverstrekkers. Kort gezegd: we vullen elkaar aan.

Samenwerken vertrekt volgens het GO! vanuit een pedagogische insteek. Die geeft richting aan het onderwijsaanbod en maakt er een samenhangend geheel van. Dat uit zich onder andere in een doorlopende leerlijn, waarbij kleuter-, lager, secundair en volwassenenonderwijs naadloos op elkaar aansluiten. Als we het bestuur van het officieel onderwijs willen herdenken, dan moet dat vertrekken vanuit inhouden, vanuit een pedagogisch project waar iedereen achterstaat. Bestuurlijk anders denken moet op zijn beurt bijdragen tot de pedagogische kwaliteit van het onderwijs. Het bestuurlijke en het pedagogische zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. De discussie over het pedagogisch project stuurt het debat over de meest wenselijke vorm van bestuur.

Een essentieel kenmerk van officieel onderwijs is dat zijn neutraliteit gegarandeerd wordt. Maar neutraliteit betekende honderd jaar geleden iets anders dan de dag van vandaag. Het GO! is vragende partij om de discussie over de inhoud van dit begrip continu te blijven herdenken in functie van een veranderende maatschappelijke context. De leidraad hiervoor is de maatschappelijke opdracht van officieel onderwijs, zoals die in zijn missie staat. In het garanderen van de vrije schoolkeuze en gelijke onderwijskansen kan het neutraliteitsbeginsel (hoe het ook wordt gedefinieerd) niet los gezien worden van het pedagogisch project. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en geven richting aan de maatschappelijke inzet van officieel onderwijs.

Voorstellen tot samenwerking

In opdracht van Vlaams minister van onderwijs Hilde Crevits hebben de drie officiële onderwijsverstrekkers - het GO!, het gemeentelijk en stedelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV) - voorstellen uitgewerkt om intensiever samen te werken. Hiermee wil de minister het openbaar onderwijs versterken. Dit zijn de grote lijnen:

1. Leerplannen

Hoe zorgen we ervoor dat elk kind, elke leerling en elke cursist optimale onderwijs- en ontwikkelingskansen krijgen? Onder meer door alle onderwijsniveaus (van kleuter tot hoger) binnen het officieel onderwijs op elkaar af te stemmen. En ook door ervoor te zorgen dat leerlingen vlot van het ene naar het andere niveau kunnen doorstromen. Voor de verschillende onderwijsvormen (bv. algemeen, technisch, kunst- en beroepsonderwijs) geldt hetzelfde. Daarom zullen er een aantal gemeenschappelijke leerplannen worden uitgewerkt. Er komen ook concrete afspraken op het vlak van leerplanconcept en modaliteiten.

2. Opleidingsaanbod en planificatie

Door intensiever samen te werken kunnen we er binnen het officieel onderwijs voor zorgen dat elke leerling er zijn aanbod vindt, de juiste studierichting bijvoorbeeld. En ook dat hij of zij altijd een gepaste school vindt. Dat kan door capaciteit en programmatie op elkaar af te stemmen.

Het huidige lerarenkorps vergrijst, de bevolking neemt toe. Ook zonder kristallen bol kunnen we voorspellen dat er de komende vijftien jaar véél nieuwe leerkrachten zullen nodig zijn.

quote
1 leerkracht - labo - staan - secundair onderwijs - verantwoordelijk - horizontaal.jpg

3. Decreet rechtspositie en personeelsbeleid

Het huidige lerarenkorps vergrijst, de bevolking neemt toe. Ook zonder kristallen bol kunnen we voorspellen dat er de komende vijftien jaar véél nieuwe leerkrachten zullen nodig zijn. Het zijn immers de mensen die “school maken”. De directie en het hele schoolteam staan garant voor de geboden onderwijskwaliteit. Ze waken erover dat de schoolomgeving een veilige leeromgeving is waar leerlingen alle kansen krijgen om hun talenten te ontplooien en uit te groeien tot kritische en verantwoordelijke burgers.

Helaas zien we dat veel jonge leerkrachten binnen de vijf jaar weer uit het onderwijs stappen. Daarom is het voor het officieel onderwijs een belangrijke opdracht als goed werkgever op te treden. We moeten werk maken van een degelijk HR-beleid en ervoor zorgen dat zowel leerkrachten als directies zich voortdurend professionaliseren. Als we daartoe de krachten bundelen, dan kan de onderwijskwaliteit in zijn geheel er alleen op vooruitgaan.

Binnen het officieel onderwijs zou het geen verschil mogelijk maken waar een leerkracht lesgeeft. Het is daarom belangrijk dat er ook decretaal een afstemming gebeurt over de rechtspositie van de personeelsleden. Dit bevordert de mogelijkheden tot samenwerking en verhoogt de inzetbaarheid van personeel binnen het officieel onderwijs.

4. Neutraliteit en pedagogisch project

Elke school uit het publiek onderwijs moet voldoen aan de volgende kenmerken:

  • Openbaar karakter: ingericht door de overheid of een openbaar bestuur
  • Gebonden aan artikel 24 van de Grondwet:
    • niet-confessionele scholen;
    • keuze uit verschillende erkende levensbeschouwelijke vakken;
    • werken met leermeesters (bao) en leraren (so) die specifiek zijn aangesteld voor deze levensbeschouwelijke vakken.
  • Met betrekking tot de inhoudelijke positionering:
    • Officiële scholen vertrekken niet vanuit één levensbeschouwing en verkiezen de ene levensbeschouwing niet boven de andere(n);
    • Officiële scholen zijn actief pluralistische scholen met een open karakter: verscheidenheid wordt positief erkend en aangegrepen om het samenleven vorm te geven;
    • De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Universele Verklaring van de Rechten van het Kind zijn het uitgangspunt in ons onderwijs;
    • Gemeenschappelijke eindtermen als richtinggevend kader, gedefinieerd door de overheid;
    • Gemeenschappelijke leerplannen.

5. Bestuurlijk model

Uitgangspunt is de versterking van het officiële onderwijslandschap, waarbij ieder zijn eigenheid kan behouden. Een nieuwe, bijkomende publiekrechtelijke rechtsvorm creëren is hiervoor niet wenselijk. Schoolbesturen moeten met of zonder beheersoverdracht kunnen samenwerken. Om dit mogelijk te maken steven we naar verschillende modellen voor een verankerde samenwerking. De afspraken hiervoor worden regionaal bepaald.

Iedere partner engageert er zich evenwel toe om de samenwerking tussen de officiële onderwijsverstrekkers in alle regio’s te stimuleren en als evident naar voor te schuiven. De duur van de overeenkomsten kan naargelang van het thema verschillen. Naast afspraken op middellange termijn zijn er ook langdurige afspraken mogelijk.

Even terugblikken

Gemeentescholen, provinciale scholen, katholieke scholen, scholen van het GO!, methodescholen… Ons onderwijslandschap is heel verscheiden. Dat hebben we te danken aan de Belgische grondwet. Die zegt onder meer dat onderwijs inrichten vrij is. De overheid zelf is verantwoordelijk voor het inrichten van neutraal onderwijs. Het Bijzonder Decreet voor het Gemeenschapsonderwijs - een soort wet is dat - bepaalt de krijtlijnen waarbinnen dat dient te gebeuren.

Onderwijs dat wordt ingericht door steden en gemeenten (OVSG) en door de provincies (POV) vormen samen met het GO! het officiële onderwijs. Maar kan het niet eenvoudiger? Zouden het OVSG, POV en GO! niet beter samenvloeien tot één publiek net? Voormalig minister van Onderwijs Pascal Smet had zoiets in gedachten, maar na overleg met de onderwijsactoren liet hij dat plan varen. Er werd wel een ‘commissie officieel onderwijs’ opgericht. Die kreeg de opdracht om een adviesnota uit te werken over de manier waarop die samenwerking verder vorm kan krijgen.

Op 9 juli 2014 gaf de commissie haar nota vrij. Er wordt ook naar verwezen in het regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse Regering. De vertegenwoordigers van de publieke netten reageerden overwegend positief op de nota van de expertencommissie. Samenwerking moet zeker lukken, alleen de manier om daar te geraken zien de verschillende participanten soms een beetje anders. Daarover lopen al geruime tijd gesprekken, om een en ander te concretiseren.

Wat wil de Vlaamse overheid?

In haar Beleidsnota Onderwijs zegt Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits het zo:

Ik wil meer samenwerking tussen scholen van het officieel onderwijs (gemeentelijk, stedelijk en provinciaal onderwijs en het GO!) stimuleren, vertrekkend van de voorstellen van de expertencommissie ‘één publiek net’, maar kan geen verplichte samenwerking opleggen.

— Hilde Crevits

quote
ministeraanhetwoordverticaalgroot.jpg

Blader door de tijdslijn