|
Een architect met onderwijs in het bloed over het belang van praktijk in het Technoplus-verhaal.
T+: Waar komt uw grote betrokkenheid bij het onderwijs vandaan?
DB: Ik kom niet toevallig uit een onderwijsfamilie. Architectuur en onderwijs lopen als een vervlochten dubbele rode draad door mijn leven en dat van mijn familie. Zo heeft mijn vader, architect Geo Bontinck, jarenlang lesgegeven aan de Gentse Academie, waar hij trouwens van 1945 tot 1968 directeur was. Maar het gaat nog verder: ook mijn zus heeft jarenlang lesgegeven in het provinciaal onderwijs, en mijn grootvader aan moederskant was schooldirecteur. |
 copyright Johan Martens
|
T+: Onvermijdelijk moet u zelf ook hebben lesgegeven?
DB: Zelf ben ik 8 jaar lang docent aan het laatste jaar architectuur geweest, en ik heb dat met veel vuur gedaan. Toch ben ik nu in de eerste plaats architect. Met de herstelwet in de jaren ’80 hebben een hele reeks beoefenaars van zelfstandige beroepen – niet alleen architecten, maar ook advocaten, notarissen, kunstenaars, kinesisten - een knoop moeten doorhakken.
Maar mijn interesse in onderwijs is gebleven. En mijn geloof in het onderwijs als een drijvende maatschappelijke kracht is onverminderd. Overigens kan ik mijn onderwijs-ei nog steeds regelmatig kwijt in gastcolleges.
T+: Er blijft duidelijk een nood aan technisch onderlegde jonge krachten? Via welke wegen kunnen we jongeren (en ouders!) stimuleren om een technisch beroep te kiezen?
DB: Dat is inderdaad een situatie die al zeer lang om een oplossing smeekt, zeg maar de spil waar Technoplus rond draait. Een vijftiental jaar geleden al - nog voor de computerrevolutie dus - moest ik al constateren: er studeren geen bouwkundig tekenaars meer af. Niemand koos nog voor een dergelijke richting. Nochtans moet de boodschap zijn: we kunnen niet allemaal dokter worden. Er is zoals algemeen bekend een chronisch tekort aan goed opgeleid personeel in de industrie, de bouwnijverheid enz.
Het komt er m.a.w. op aan om middelen te vinden om jongeren ervan te overtuigen hier ernstig over na te denken.
T+: Worden de al bestaande middelen goed aangewend?
|
 copyright Animotions - Bontinck Arteveldestadion te Gent
|
DB: Er bestaat nu overduidelijk een heel aantal initiatieven rond dit thema. Kijk naar Agoria, Voka, kijk naar het Beroepenhuis. Technoplus is hier maar één speler.
Moet er ergens een koepel komen die al deze initiatieven groepeert? Kan Technoplus een dergelijke koepelwerking worden?
Laten we vooral in alle bescheidenheid maar met dezelfde overtuiging verder werken, Technoplus verder uitbouwen en profileren. |
Met als rode draad: aanzetten tot een mentaliteitsverandering, stimuleren van het besef dat iemand die technisch goed begaafd is alle kansen heeft om bijvoorbeeld onmiddellijk als elektricien aan de bak te komen. Want de constatatie blijft: elektriciens en bouwvakkers hebben we te weinig.
En al wil ik niet prekerig overkomen, ik blijf herhalen: denk eens goed na, niet iedereen moet dokter worden. En overigens: je kan dokter worden, maar waar kan je dan in Vlaanderen – of België - nog terecht? Je grootste kans op tewerkstelling ligt dan bij een organisatie als Artsen zonder Grenzen. Uiteraard een lovenswaardig initiatief, maar daar moet je wel een bepaalde ingesteldheid hebben die niet elke dokter heeft, die hem of haar ook niet tijdens de studies bijgebracht is. En je kan wat mij betreft tandarts worden, maar ben je bereid om in Nederland te gaan werken? Of parafraserend: waar blijven de lokale loodgieters...
Laten we niet vergeten dat ook de ouders hier een cruciale rol spelen. De uitdaging is: ook hen ervan overtuigen dat er zovéél opties bestaan voor een boeiende en uitdagende carrière. En dat het systematisch uitsluiten van TSO en BSO als studie-opties voor hun kinderen nu écht wel uit den boze moet zijn.
T+: Kan het volgens u een oplossing zijn om het onderscheid tussen de onderwijsvormen ASO-TSO-BSO op te heffen?
DB: Daar was men 15 jaar terug dus ook al niet uit.
En dan zie je gebeuren dat er bijvoorbeeld vandaag de dag nog steeds een nauwelijks denkbeeldige rode lijn wordt getrokken in een atheneum in Wallonië: met de "verstandigen" aan de ene kant, en het "uitschot" aan de andere kant van deze scheidingslijn.
Dat is het fundamenteel probleem van perceptie waartegen we met alle kracht moeten blijven strijden: de vox populi die, uiteraard ook hier in Vlaanderen, negatief blijft staan tegenover BSO en TSO.
Of het onderscheid op papier nu blijft bestaan of niet, we moeten er alvast voor zorgen dat het in de geesten verdwijnt. En dat kan enkel door erop te blijven hameren dat technisch geschoold zijn even goed gelijk kan staan aan begaafd zijn.
T+: We hadden het al over uw betrokkenheid bij het onderwijs vanuit de architectuurhoek. Welke rode draad ziet u nog binnen de relatie Technoplus – architectuur?
DB: Architectuur en opleiding zijn in mijn visie – en ik sta daar niet alleen in – onlosmakelijk met elkaar verbonden. Elke architect moet zich, voor hij zichzelf ten volle architect kan noemen, na zijn vijfjarige opleiding inschrijven bij de orde der architecten en een tweejarige stage volgen bij een stagemeester.
Vooraleer hij zelf stagemeester kan worden moet hij nog eens 10 jaar wachten. Een stagemeester kan dus echt met autoriteit spreken vanuit deze jarenlange ervaring.
Bij Bontinck zijn er permanent stagiairs aan de slag in het bedrijf. Dat zit bij ons in de genen. Wij weten wat een stage inhoudt, wat jonge mensen komen zoeken, op welke manier we ze moeten begeleiden. En wat is er mooier dan jonge mensen te kunnen opleiden, en te constateren dat ze zich altijd maar beter gaan voelen in het architectuur-verhaal? En ik wil benadrukken dat het hier niet louter om architecten gaat! Ook designers, architect-assistenten (opleiding van 3 jaar), computertekenaars (daar is heel veel vraag naar!), concept-bouwtechnici, bouwtechnici-uitvoering… maken tegenwoordig de kracht en de veelzijdigheid van een architectengroep uit. Wij en andere architectengroepen hebben jonge krachten nodig over dit hele spectrum.
Het is dus een bonte bende bij Bontinck. De aantrekkingskracht voor vele werknemers zit in de unieke teamgeest: samen met de verschillende geledingen van onze architectuurgroep een project uitwerken. Eigenlijk kunnen we hier parallellen trekken met een Technoplus-project zoals leerlingen van verschillende studierichtingen of over de onderwijsvormen heen dat samen aanpakken.
T+: Terug naar de wedstrijd Technoplus dus. Studiegroep Bontinck blijft hier een overtuigde rol spelen op verschillende echelons?
DB: Dat klopt. We zetelen niet enkel in de Raad van Beheer, maar we hebben ook altijd met overtuiging deelgenomen aan het jureringsverhaal. Het zal u ook niet verwonderen dat Marc Seghers, senior architect en juryvoorzitter van Technoplus, zelf jarenlang les gegeven heeft in het technisch onderwijs. De grote uitdaging binnen de beoordeling van de projecten is nu het belang onderkennen van de samenwerking, over onderwijsvormen en studierichtingen heen, maar ook met bedrijven.
En het versterken van de linken tussen bedrijven is nu het spilverhaal van Technoplus. Ik zeg niet dat we een alternatieve kamer van koophandel moeten worden, maar wel een nog hechter partnerschap. Met Randstad en Eandis zijn er trouwens een paar enorme spelers bijgekomen. We hebben nu alle troeven in handen om dit project echt te doen lukken.
T+: De bedrijven zijn nu aan zet in het Technoplus-verhaal? Is het hun rol om te bepalen hoe het onderwijs in elkaar moet zitten?
DB: We kunnen alvast belangrijke accenten leggen. Wat mij betreft is de belangrijkste les – en die haal ik uit jarenlange persoonlijke ervaring - dat onderwijs zonder praktijk ten dode opgeschreven is.
|
Jarenlang heeft de studiegroep Bontinck op regelmatige basis stagiairs uit een (hogere) technische opleiding in Vlissingen gekregen. In afstand vlakbij onze kantoren in Gent, maar over de grens, dus: met een radicaal andere aanpak. In het kader van hun 4 jarige opleiding moesten deze studenten 6 maand met hun voeten in de praktijk staan + nog eens 6 maand op kantoor.
|
 copyright Koen Van Damme Restauratie Museum voor Schone Kunsten te Gent
|
Probeer dus ook in ons onderwijs het praktijkverhaal in te bouwen op alle niveaus. Je zult constateren dat er wel degelijk architecten, aannemers, schrijnwerkers, schilders, computerbedrijven en tutti quanti zijn die hiervoor openstaan. Geef praktijk een belangrijker plaats in het leerplan, laat dit zwaarder doorwegen in de evaluatie. Er zal minder volk op straat lopen.
Dat zei ik zoveel jaar geleden al, in kader van Bontinck-prijs, één van de voorlopers van Technoplus, Een inspecteur TSO was zeer kort in zijn reactie: dat komt er nooit door, mijnheer Bontinck, u kunt blijven dromen.
En dus blijft mijn droom: probeer het technisch onderwijs zo functioneel + zo boeiend mogelijk te maken, en doe dit via praktijk. En dat betekent ook: zorg ervoor dat het onderwijzend personeel mee kan spreken vanuit een praktijkervaring.
T+: Is onderwijs hier vragende partij?
DB: Ik besef het: al te vaak willen sectoren de nood aan stages - ook leerkrachtenstages - doordrukken, en blijkt onderwijs dwars te liggen, niet noodzakelijk uit onwil maar soms om praktische redenen.
Leraars moeten echter wel bijblijven, en stages helpen daarbij. We zien nu al te vaak gebeuren dat je als leraar een nieuw software pakket krijgt en dat de leerlingen zelf je er de finesses van moeten bijbrengen. Maar het is misschien geloofwaardiger en educatief meer verantwoord om als leerkracht beslagener voor de dag te komen.
Scholen verzetten zich uiteraard, omdat dit hele stageverhaal niet voldoende uitgebouwd, omkaderd of gestructureerd is. Maar kijk in de ons omringende landen! Het moet kunnen, al zal men zeggen: hij is een dromer.
Maar nogmaals, mijn droom is gegrond in mijn eigen architectuurverhaal: wij moeten het zelf, als architecten, in onze stage doen, van de praktijk proeven.
Vanuit mijn beroepservaring vind ik dan ook: er is een status questionis nodig voor onderwijs, vandaag, voor één keer en ten gronde. Hoe bouwen we die praktijk in, op het niveau van leerlingen en leerkrachten?
T+: Is het bedrijfsleven altijd voldoende bereid om hierin te investeren?
DB: Ik kan alleen maar zeggen: een afgestudeerd schrijnwerker mag niet als een onbeschreven blad op de arbeidsmarkt komen. Hij moet weten wat dat praktijkverhaal inhoudt, wat hem te wachten staat.
Maar ik geeft het grif toe, er zijn ook industriëlen en ondernemingen die zeggen: ik moet dit klein grut niet hebben, ik wil iemand die onmiddellijk rendeert, functioneert. We mogen niet naïef zijn: een stagiair in een team begint pas na 1 jaar te renderen.
Bedrijven en sectoren moeten echter beseffen dat praktijkervaring binnen studies de leerling - de toekomstige arbeidskracht dus! - ook plooibaar, flexibel maakt (in de positieve zin van het woord). Als het onderwijs de 360 graden aanbiedt, zal een verse arbeidskracht ook meer en sneller oppikken van opleidingen die in het bedrijf zelf worden gegeven.
T+: Flexibliteit bij jongeren en op de arbeidsmarkt is voor u een sleutelbegrip?
DB: Ik durf het zelfs nog breder stellen: ik geloof in de verbeterbaarheid van de mens. Misschien ben ik een idealist. En dan nog één die met het ouder worden idealistischer wordt.
Motivatie, dat is voor mij het échte sleutelbegrip! Ik kan niet begrijpen dat jonge mensen hun tijd verkwanselen. Heeft het ermee te maken dat ik nog uit de tijd van de legerdienst kom? Dat was voor mij in ieder geval een ervaring die tot denken aanzette. Ik kwam dan wel met grootste onderscheiding buiten bij architectuur, twee maand nadien zat ik als kameroverste in de kazerne van Turnhout - officier worden was me net een stap te ver, we hebben het hier tenslotte over 1968. Dat opent je ogen, je ziet dat de maatschappij heel anders in elkaar zit, met vogels van divers pluimage.
En hier kan ik een brug slaan met ons onderwijsverhaal: als je eens meeloopt met een schrijnwerker tijdens je opleiding, besef je even goed dat de wereld heel wat complexer in elkaar zit.
Het merkwaardige is en blijft: dit praktijkelement zit ook vervat in opleidingen tot dokter, architect, kinesist etc, maar ingebed in een pakket – en omdat dit hoger onderwijs is stelt niemand zich hier vragen bij. Als we daarentegen de vraag stellen naar meer praktijk in het secundair, steigert iedereen. Waarom zou dit niet kunnen?
T+: Wat kunnen we jongeren door die praktijkervaring nog meer bijbrengen?
Wel, we moeten ervoor zorgen dat onze jongeren van vele markten thuis zijn. Want wat is bijvoorbeeld een goede loodgieter? Iemand die niet alleen goed kan werken, maar met beide voeten in de (economische) realiteit staat, die ook weet heeft van boekhouding, of althans kan terugvallen op een partner die zijn facturen verzorgt. Maar wie dit niet meekrijgt in zijn opleiding, is verloren.
Dat is de kern van mijn betoog. Technoplus zie ik als een middel om deze boodschap kracht bij te zetten. En dat is mijn motivatie.
Ik heb overigens doorheen heel dit verhaal, altijd de steun gehad van het officieel onderwijs, van het Rago, over het Gemeenschapsonderwijs, tot het huidige GO! Zonder dit klankbord bij het onderwijs, was ik er al lang mee gestopt. Dus blijven we er als Studiegroep Bontinck in geloven, meegaan in de raad van bestuur en de jurering.
Maar dit alles was nooit mogelijk geweest zonder mijn persoonlijk verhaal met het onderwijs, en zonder mijn ervaring met stages in de architectuurhoek. Dan had ik het bredere plaatje waarschijnlijk nooit gezien.