Uitoefening van rechten en plichten door niet-samenlevende ouders

Uitoefening van rechten en plichten door niet-samenlevende ouders 

Een stukje geschiedenis … voor 13 april 1995
Voor 1995 was er sprake van ‘hoederecht’ en ‘bezoekrecht’. Hoederecht betekende dat wanneer ouders niet samenleefden, één ouder het bewaringsrecht én de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag toegekend kreeg. De kinderen verbleven dus exclusief bij deze ouder en deze ouder oefende dan ook het ouderlijk gezag uit. De andere ouder kreeg dan een bezoekrecht toegekend.

De Wet van 13 april 1995 (BS. 24.05.95) betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag bracht hier verandering in. Een aantal belangrijke wijzigingen werden aangebracht in het Burgerlijk Wetboek (B.w.). In 2006 kwam daarbovenop de Wet tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (B.S.04.09.2006).

Hieronder bespreken we de artikelen uit het Burgerlijk Wetboek die door een van deze wetten gewijzigd of toegevoegd werden.

Gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag: gezagsco-ouderschap
Belangrijkste principe
Het belangrijkste principe van deze wet blijkt al uit de titel: het ouderlijk gezag wordt gezamenlijk uitgeoefend.
Dit geldt zowel voor het gezag over de persoon als voor het beheer van de goederen. Gezagsco-ouderschap staat los van de verblijfsregeling. Dit principe geldt ongeacht of de ouders gehuwd, feitelijk gescheiden, wettelijk gescheiden, samenwonend, niet-samenwonend zijn. Dus ook niet-samenlevende ouders oefenen in principe samen het ouderlijk gezag uit. Ongeveer 90 % van de gescheiden ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit over hun kinderen.

Vermoeden van instemming
Dit betekent dat elke ouder die een handeling stelt, geacht wordt dit te doen met instemming van de andere ouder. Derden te goeder trouw mogen hier dus van uitgaan. U hoeft als derde dus niet steeds de instemming of het akkoord van beide ouders te hebben. Dit vermoeden van instemming speelt voor elke handeling, zowel dagdagelijkse beslissingen (bv. een buitenschoolse activiteit) als de meest fundamentele beslissingen over de opvoeding van de kinderen (bv. een operatie).
Maar als u weet hebt van onenigheid tussen beide ouders over een bepaalde beslissing, mag u niet meer automatisch uitgaan van het vermoeden van instemming. In dat geval is het dus aan te raden de toestemming te krijgen van beide ouders. In het algemeen op de hoogte zijn van onenigheid tussen de ouders is onvoldoende grond om het vermoeden van instemming niet te mogen toepassen.
Het principe van goede trouw wordt steeds verondersteld. Het is aan de partij die dit in twijfel trekt, om de kwade trouw te bewijzen.
Dit leidt tot een praktische regel: iedereen mag zich baseren op beslissingen van een van de ouders. Enkel als u er ernstig aan twijfelt of de andere ouder hiermee akkoord gaat, moet u weigeren de beslissing van de ene ouder uit te voeren.
Het ‘vermoeden van instemming’ is niet toepasbaar in situaties waar beide ouders moeten instemmen:
• bij een beslissing in verband met orgaanwegneming;
• bij vertegenwoordiging van de minderjarige in proceshandelingen.
Indien beide ouders het onderling oneens zijn, kan een van beiden zich wenden tot de jeugdrechtbank, die een beslissing neemt op basis van het criterium ‘het belang van het kind’. Het is aan de ouder die zich benadeeld voelt om de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechtbank.

Exclusief ouderlijk gezag
De rechter (vredegerecht, rechtbank van eerste aanleg of de jeugdrechtbank) kan beslissen om de uitoefening van het ouderlijk gezag exclusief aan een van beide ouders op te dragen. Hij kan daarbij bepalen dat ófwel het ouderlijk gezag volledig wordt overgedragen aan de ene ouder, ófwel dat een aantal belangrijke beslissingen toch nog moeten genomen worden door beide ouders samen, ondanks het feit dat het ouderlijk gezag aan een van beiden wordt toegekend.

De rechter neemt deze beslissingen in gevallen waar de communicatie tussen ouders zoek is, waar er voortdurend betwistingen zijn over belangrijke beslissingen …
De ouder die bij rechterlijke beslissing niet langer belast is met het ouderlijk gezag, behoudt het recht op toezicht op de opvoeding. Dit is een belangrijk gegeven, want het betekent dat ook de ouder die het ouderlijk gezag niet langer uitoefent, het opeisbaar recht heeft om bij derden (bv. het CLB, de school) alle nuttige inlichtingen in te winnen i.v.m. de opvoeding van het kind. Derden zijn dus verplicht om te antwoorden op elke vraag naar informatie van de ouder over zijn of haar kind. Dit recht op toezicht verschaft hem daarnaast ook steeds het
recht zich tot de jeugdrechtbank te wenden om een beslissing van de andere ouder aan te vechten.

Ontzetting uit het ouderlijk gezag
De wet van 18 april 1965 betreffende de jeugdbescherming voorziet in artikel 32 een mogelijkheid om ouders te ontzetten uit het ouderlijk gezag, zij het in zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Artikel 32:
De volgende personen kunnen volledig of gedeeltelijk ontzet worden uit het ouderlijk gezag over alle kinderen of een of meer van hun kinderen:

  • de vader of moeder die veroordeeld is tot een criminele of correctionele straf wegens een feit dat gepleegd is op een kind of met de hulp van een van de kinderen of afstammelingen;
  • de vader of de moeder die door slechte behandeling, misbruik van gezag, slecht gedrag of erge nalatigheid de gezondheid, veiligheid of zedelijkheid van het kind in gevaar brengt;
  • de vader of de moeder die huwt met een persoon die uit het ouderlijk gezag is ontzet.

De ontzetting wordt uitgesproken door de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar
ministerie. Een ouder die ontzet is uit het ouderlijk gezag verliest daarmee alle rechten die uit het ouderlijk gezag voortvloeien, inclusief het recht op informatie.


Wijziging van het ouderlijk gezag
Art. 387bis
De jeugdrechtbank kan in het belang van het kind en op verzoek van één of beide ouders of van de procureur des Konings in alle gevallen (los van de gevallen die onder de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg vallen, overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek) in kort geding uitspraken doen over het ouderlijk gezag of ze wijzigen. Los van artikel 1734 van het Gerechtelijk Wetboek probeert de rechtbank de partijen te verzoenen.
Zij verstrekt hen alle nuttige informatie, in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de
bemiddeling zoals die vermeld staat in het zevende deel van het Gerechtelijk Wetboek. Als zij vaststelt dat een toenadering mogelijk is, kan zij de procedure laten schorsen, zodat de partijen de kans krijgen alle nuttige informatie in te winnen en het bemiddelingsproces op te starten. De duur van de schorsing moet beperkt blijven tot één maand.
De rechtbank kan, zelfs ambtshalve, een voorafgaande maatregel nemen om de vordering te
onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig te regelen voor een termijn die zij vaststelt.
Als zo een vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt, met overeenstemming van alle partijen en de procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting, maar binnen het jaar, opnieuw worden onderzocht op een datum die ambtshalve vastgelegd wordt in het vonnis, los van een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals hieronder beschreven wordt.
De zaak blijft ingeschreven op de rol van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking heeft, ontvoogd zijn of wettelijk meerderjarig zijn geworden. Als er nieuwe elementen zijn, kan de zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. Artikel 730, § 2, a) van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken.)

Weigering van een van de ouders om de rechterlijke beslissingen uit te voeren
Art. 387ter
§ 1. Als een van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen over de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht. In afwijking van artikel 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, is de bevoegde rechter degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen; tenzij de zaak intussen bij een andere rechter aanhangig is gemaakt: dan wordt de vordering voor die andere rechter gebracht.
De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, kan hij onder meer:

  • nieuwe onderzoeksmaatregelen nemen, zoals een maatschappelijke enquête of een
    deskundigenonderzoek;
  • een poging tot verzoening ondernemen;
  • de partijen voorstellen gebruik te maken van de bemiddeling zoals die in artikel 387bis staat.

Hij kan nieuwe beslissingen nemen over het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
Los van strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van miskenning van bovengenoemde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Rekening houdend met het belang van het kind, bepaalt hij de aard van de maatregelen en de regels over de uitoefening ervan en wijst zo nodig de personen aan om de gerechtsdeurwaarder bij te staan voor de uitvoering van zijn beslissing.
De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de beslissing wordt nageleefd en om duidelijk te maken dat voor de uitvoering van die dwangsom artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is. De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.
§ 2. Dit artikel is ook van toepassing als de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en los van § 3, wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
§ 3. Bij absolute noodzaak, en los van de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen uit § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de uitvoering van de beslissing.
De inschrijving van het verzoekschrift is gratis. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen.

 

GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap Willebroekkaai 36 1000 Brussel tel. 02 790 92 00 www.g-o.be