Duaal leren

1 puber - atelier - werken - secundair volwassenenonderwijs - innovatief - horizontaal - JD - mode (2).jpg
  • Leerlingen moeten kennis, vaardigheden en competenties die belangrijk zijn voor de arbeidsmarkt, in een volwaardige arbeidscontext kunnen verwerven.

  • Het GO! wil leerwegen ontwikkelen waarbij leren op school en op de werkplek elkaar aanvullen en versterken.

  • Het GO! wil goed uitgebouwde samenwerkingsverbanden tussen scholen enerzijds en bedrijven/instellingen anderzijds.

  • Het GO! pleit voor een vereenvoudigd en werkbaar juridisch kader voor werkplekleren en voor een duurzaam overleg tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Werk.

GO! standpunt Meer info Praktijkvoorbeelden

Binnen het GO! vinden we het cruciaal dat leerlingen kennis, vaardigheden en competenties die belangrijk zijn voor de arbeidsmarkt in een volwaardige arbeidscontext kunnen verwerven. Werkplekleren heet dat, het aanleren van algemene en beroepsgerichte competenties in een reële werksituatie. Voor het GO! is dat een heel ruim begrip, een continuüm.

Helemaal aan de linkerkant van dat continuüm vinden we wat leerlingen in de eerste graad nu al doen: een bedrijf bezoeken bijvoorbeeld, of gewoon al kennismaken met beroepen …

Helemaal aan de rechterkant van het continuüm staat het duale leren, waarbij leerlingen 60% van hun opleiding op de werkvloer doorbrengen. Maar daartussen is veel mogelijk. Ook een bedrijfsstage is bijvoorbeeld een reële werksituatie. Sinds 1 september 2014 zijn die verplicht voor alle zesde jaars tso/bso en zevendejaars bso, maar van ons ook mogen en moeten die soms zelfs worden verplicht in het vijfde jaar. En als werkplekleren daar niet haalbaar, wenselijk of aan de orde is, dan pleiten we voor waardevolle alternatieven van authentiek leren: miniondernemingen, bedrijfsbezoeken, virtuele kantoren e.d.

Werkplekleren werkt motiverend, zorgt voor variatie in de opleiding, leert leerlingen de vereiste werkattitudes aan en zorgt ervoor dat scholen onderwijs kunnen organiseren met actuele middelen en apparatuur. Als methodiek heeft het bovendien een didactische meerwaarde: sommige leerinhouden worden nu eenmaal beter aangeleerd op een authentieke werkplek. Dat heeft extra voordelen: leerlingen gaan meer functioneel leren en hun competenties versterken; ze maken kennis met actuele werkwijzen, materialen en technieken; ze maken grondiger kennis met de concrete bedrijfsrealiteit; en ten slotte kiezen ze meer gefundeerd voor een job.

Om dit waar te maken, wil het GO! leerwegen ontwikkelen waarbij leren op school en op de werkplek elkaar aanvullen en versterken. De leerplannen van het GO! laten theorie en praktijk samengaan. Stap voor stap moeten leerlingen competenties verwerven die hen klaar maken voor de arbeidsmarkt en voor de samenleving in het algemeen. Via (zelf)reflectie trekken ze steeds meer zelfgestuurd het niveau van hun competenties op. Dit leerproces begint op school en loopt levenslang door op het werk. In dit leerproces hebben instructie, simulatie en werkplekleren elk een rol. We vinden dan ook dat een werkplek niet uitsluitend mag focussen op het werkproces. Er moet altijd voldoende aandacht zijn voor leren (via reflectie).

In die zin past werkplekleren in de globale visie van het GO! op leren en in onze visie op competentiegericht onderwijs. Didactisch pleiten we voor motiverende en competentiegerichte taken in betekenisvolle en authentieke contexten. Competenties bekijken we zowel algemeen vormend als arbeidsmarktgericht. Werkplekleren omvat beide en schenkt scholen als methodiek een bredere kijk op de samenleving. Tegelijk houdt werkplekleren de vinger aan de pols: leerplannen blijven actueel, leerkrachten kunnen zich verder professionaliseren en leerlingen leren actuele technieken en beroepsattitudes aan.

Binnen het GO! vinden we het cruciaal dat leerlingen kennis, vaardigheden en competenties die belangrijk zijn voor de arbeidsmarkt in een volwaardige arbeidscontext kunnen verwerven.

quote
1 cursist - garage - onderzoeken - secundair volwassenenonderwijs - innovatief - horizontaal - SH.jpg

Voordelen van werkplekleren

De voordelen van werkplekleren werken ook op een ander vlak door. Het kan worden ingezet in de strijd tegen vroegtijdig schoolverlaten (de ongekwalificeerde uitstroom) en indirect ook tegen de jeugdwerkloosheid. De overgang van leren naar werken en levenslang leren is belangrijk voor leerlingen, via werkplekleren bereiden we hen daar beter op voor. Daarom vinden we werkplekleren essentieel in het proces van onderwijsloopbaanbegeleiding.

Het GO! is voorstander van goed uitgebouwde samenwerkingsverbanden tussen scholen enerzijds en  bedrijven/instellingen anderzijds. Op microniveau kunnen leerkrachten en mentoren daardoor makkelijker afstemmen wat leerlingen op school en wat ze op de werkplek leren. Scholen kunnen ook beter opvolgen in welke mate werkactiviteiten sporen met leerplandoelen en met het pedagogisch project.

Facelift voor duaal leren

Duaal leren moet een volwaardige leerweg worden binnen het volledige secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs, niet enkel binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs biedt kansen om het deeltijds beroepssecundair onderwijs in het secundair onderwijs te integreren. Toch moeten niet alle arbeidsmarktgerichte opleidingen duaal zijn volgens een 60%-40% model. Dat is onrealistisch. Een technische richting met veel theorie, zoals bijvoorbeeld Elektromechanica kun je niet afwerken als je drie dagen per week op de werkvloer staat. In een bouwopleiding is dat dan weer wel mogelijk. Hoe dan ook, in alle arbeidsmarktgerichte opleidingen horen stages en andere vormen van werkplekleren thuis.

Aan duaal leren zijn ook belangrijke voorwaarden verbonden. Zo moeten scholen, bedrijven en sectoren, de VDAB en andere belanghebbenden er samen vorm aan geven. Vanuit het GO! willen we daartoe contacten leggen met sectoren en bedrijven. Tegelijk moeten àlle leerlingen kansen krijgen om op de arbeidsmarkt te leren. Bedrijven moeten hun deuren dus wijder openzetten voor leerlingen, terwijl scholen/klassen qua schaalgrootte attractief genoeg moeten zijn voor bedrijven. De aandacht voor algemene vorming mag daarbij niet verloren gaan, het kan niet de bedoeling zijn om leerlingen eenduidig op te leiden voor één arbeidsmarkt. Ten slotte moeten leerlingen en cursisten leren samenwerken, flexibel zijn en oplossingsgericht werken. Dat zijn typische vaardigheden voor de 21ste eeuw.

Vanuit het GO! vinden we het belangrijk dat elke lerende aan een leertraject begint dat leidt tot een onderwijskwalificatie. Ook – en dat is momenteel nog een knelpunt - voor jongeren die (nog) niet (volledig) arbeidsrijp zijn of die zich in een multi-problematische situatie bevinden voor de arbeidsmarkt, zoals er nu veel in het dbso zitten, moet de overheid een aangepast traject aanbieden. Lukt dat ondanks alle inspanningen voor een leerling niet, dan pleiten we voor een systeem van gedifferentieerde studiesanctionering. Dat houdt in dat de leerling een studiebewijs krijgt dat de competenties die hij wel heeft verworven expliciteert en erkent. Op die manier heeft hij meer kans om werk te vinden.

1 cursist - lokaal - werken - deeltijds beroepssecundair onderwijs - creatief - horizontaal - JD.jpg
quote

Vanuit het GO! vinden we het belangrijk dat elke lerende aan een leertraject begint dat leidt tot een onderwijskwalificatie.

Dat brengt ons bij een tweede knelpunt. In zijn model van duaal leren wil de overheid de centra voor deeltijds onderwijs doen samengaan met het gewoon secundair onderwijs. Het continuüm dat werkplekleren (met duaal leren als een van de uitersten) is, vraagt om die integratie. Maar zo simpel is dat niet. De enige manier waarin dat volgens het GO! mogelijk is, is door duaal leren te integreren in het masterplan secundair onderwijs. Dat plan voorziet in drie stromen: arbeidsmarktgerichte opleidingen, doorstroomgerichte opleidingen en een combinatie van beide. Het GO! pleit ervoor om werkplekleren - telkens op een specifieke manier - mogelijk te maken in de drie stromen. Ook binnen andere onderwijsvormen is werkplekleren trouwens mogelijk en wenselijk.

Ten slotte pleit het GO! voor een vereenvoudigd en werkbaar juridisch kader voor werkplekleren en voor een duurzaam overleg tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Werk. Via dat overleg kunnen kwaliteitsstandaarden worden vastgelegd en opgevolgd. Daarbij ijvert het GO! voor een sterk uitgebouwde en systematische begeleiding van mentoren en coaches in bedrijven. Bijzondere vormen van werkplekleren in het dbso of Syntra moeten worden geconsolideerd en versterkt. Scholen moeten zich van hun kant voldoende flexibel organiseren en ondernemingszin van leerkrachten én leerlingen stimuleren via hun pedagogisch project. De aandacht voor attitudevorming, betrokkenheid en sociale vaardigheden zijn eveneens cruciale randvoorwaarden bij de uitrol van werkplekleren.

Even terugblikken

Duaal leren is een combinatie van leren en werken. De term is vrij nieuw, maar het concept bestaat al langer, véél langer. We moeten er zelfs voor teruggaan naar de Middeleeuwen, toen ambachtslui zich verenigden in gilden. In deze gilden maakten de leden afspraken met elkaar, ook over leren. Jongeren konden bij een ambachtsman een vak aanleren en werkten gratis voor hun meester. Wanneer ze de stiel onder de knie hadden, mochten ze een meesterproef afleggen. Slaagden ze daarvoor, dan mochten ze zelf toetreden tot de gilde en kregen ze de titel van Gezel. Uiteindelijk konden ze doorgroeien tot Meester.

Dergelijke ‘leercontracten’ gingen honderden jaren mee. Het duurde zelfs tot 1906 voor ze bij ons in een wet werden gegoten. Die wet legde voorwaarden op aan leerlingen en ambachtslieden in ruil voor premies voor de werkgevers. Binnen de leercontracten konden jongeren een vak aanleren (maar pas in 2008 kregen ze daar ook een diploma voor).

In 1914 werd in België de leerplicht ingevoerd. Jongeren van 6 tot 14 jaar moesten les volgen, thuis of op school. In 1983 werd die leerplicht opgetrokken tot achttien jaar. Voor jongeren vanaf zestien (in bepaalde gevallen vijftien) jaar die toch vroeger wilden gaan werken, werd in 1990 het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) opgericht. Elke leerling kreeg twee dagen per week les in een centrum voor deeltijds onderwijs (cdo). Arbeidservaring deed hij daarnaast op de werkvloer op, in een bedrijf, via verschillende trajecten. Alternerend leren noemde men het. Leerlingen uit het gewone technisch en beroepssecundair onderwijs vielen buiten dat systeem. Zij doen werkervaring op via bedrijfsstages, praktijklessen, leerwerkopleidingen e.d.

Maar in de jaren die volgden, kwamen gaandeweg de nadelen van het systeem aan het licht: het deeltijds beroepssecundair onderwijs werd voor de meeste jongeren het allerlaatste stadium van het watervalsysteem. Leren en werken is veelal een negatieve keuze. Bedrijven hebben bovendien niet altijd zinnig werk voor de – vaak laag geschoolde en weinig gemotiveerde - jongeren. Veel jongeren maken de opleiding niet af. De meerwaarde van het systeem wordt dan ook in vraag gesteld. Als de overheid leren en werken, of school en bedrijf, dichter bij elkaar wil brengen, dan moest het concept van duaal leren worden herzien.

In 2008 deed de overheid daartoe een eerste poging, met het decreet Leren en Werken. Leerlingen konden nu ook binnen het dbso (en de leertijd) een getuigschrift behalen. Ze moesten en moeten voldoen aan het voltijds engagement, met een component leren en een component werkplekleren. Er werden bijkomende fasen in het leven geroepen om leerlingen te ondersteunen die hier nog niet klaar voor zijn, brugprojecten bijvoorbeeld. Om allerlei redenen maakte het decreet zijn ambities niet helemaal waar en sinds vorig jaar gaat de overheid nog een stap verder. Zo hebben minister van Onderwijs Hilde Crevits en minister van Werk Philippe Muyters zich in 2015 geëngageerd om het systeem te moderniseren. Daarover meer in de volgende paragraaf.

Wat wil de Vlaamse overheid?

In 2015 publiceert de Vlaamse Regering een conceptnota over duaal leren. Ze wil het alternerend leren omvormen tot een volwaardig systeem van leren waarbij leren en werken meer in elkaar haken. Dat kan duaal zijn of niet-duaal. Duaal leren wordt geïntroduceerd als een onderwijssysteem voor opleidingen die op de arbeidsmarkt gericht zijn. 60% van de opleiding moet op de werkplek plaatsvinden, 40% op school. Jongeren krijgen op school hun algemene vorming en technisch-theoretische opleiding. Bedrijf en school (tso/bso-school, centrum voor deeltijds onderwijs, Syntra-lesplaats …) maken daarover onderling afspraken die ze vastleggen in een overeenkomst. De bedoeling is dat leerlingen in meer studierichtingen dan nu het geval is hun kwalificatie op de werkvloer kunnen behalen, maar nog belangrijker is dat ze van leren en werken een positieve keuze maken voor een volwaardige leerweg.

In een duaal traject wordt de leerling gelijkgesteld aan een werknemer van het bedrijf in kwestie. Op school worden de leerlingen opgevolgd, begeleid en geëvalueerd door een trajectbegeleider. Die zoekt ook de meest gepaste werkplek uit. In het bedrijf helpt een mentor de leerling met al zijn vragen. Hij of zij leidt de leerlingen ook op.

Meer informatie:
http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/duaal-leren
http://www.syntravlaanderen.be/duaal-leren-in-vlaanderen

 

Veel ideeën achter duaal leren zijn niet nieuw, maar het concept van een apart systeem voor deeltijds leren en werken wordt wel losgelaten. De Vlaamse Onderwijsraad, de SERV, de onderwijskoepels en het GO!/netten en andere stakeholders krijgen de kans hun visie op het concept te geven. Vlaamse delegaties maken kennis met goede praktijkvoorbeelden in onder meer Duitsland en Zwitserland. Het systeem van duaal leren wordt gefinetuned. Proefprojecten in de schooljaren 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019 moeten duidelijk maken of het systeem werkt. Daartoe stappen 34 scholen en 5 Syntra-lesplaatsen mee in het proefproject ‘Schoolbank op de werkplek’. Zij organiseren elk één van in totaal zeven duale studierichtingen. Meer hierover lees je op de website van het departement Onderwijs